FIETSPROEF
In Het Veen ga je een fietsproef doen, dit als voorbereiding op het mountainbiken donderdag, en/of je fietsexamen van het OVSG in de 6e klas, de totale proef staat op 20 punten. De volgende 17 foto's geven jullie een beeld van de proef, veel succes !
1) BEGIN PROEF: Je stapt op aan de rechterkant (kant van het voetpad). (OVSG)
De leerling gaat aan de start staan en stapt op aan de rechterkant. Dat is niet alleen makkelijker, maar ook veiliger (het voetpad bevindt zich aan de rechterkant).

2) Lage doorgang.
Bij het mountainbiken komen we dikwijls laaghangende takken tegen waar we voor moeten bukken, deze proef is hier een goede voorbereiding op.

3) Lage/kleine helling.
Bij deze proef kijken we of je over een helling kan rijden waarbij je je evenwicht goed bewaard bij het naar beneden komen. Neem voldoende snelheid voor je aan de helling begint.

4) Hoge helling.
Bij deze proef kijken we of je over een helling kan rijden waarbij je je evenwicht goed bewaard bij het naar beneden komen. Neem voldoende snelheid voor je aan de helling begint.

5) Wip.
De wip zorgt voor een leuke uitdaging voor de vaardige fietsers.

6) Rijden over een ladder.
Dit “hobbelparcours” zorgt ervoor dat je kan rijden over onverwachte obstakels, zoals wortels van een boom, takken en stenen op de grond.

7) Een smalle doorgang, koers houden (deze gaat van breed naar smal).
De palen staan zo opgesteld dat ze in het begin ver van elkaar staan en naar het einde toe dicht bij elkaar. De leerlingen tonen aan dat zij door een wegversmalling kunnen rijden, zonder de palen te raken.

8) Over een plank kunnen rijden. (OVSG)
De leerlingen moeten over de plank rijden. Hierbij moet de leerling aantonen dat hij/zij op een smalle strook het evenwicht kan behouden.

9) Een voorwerp verplaatsen met één hand rijden. (OVSG)
De leerlingen fietsen langs de eerste tafel en nemen daar een voorwerp met de linkerhand. Ze rijden rond de tweede tafel en zetten het voorwerp terug op de eerste tafel.

10) Rijden over een schuine plank. (OVSG)
Hier wordt het rijden bemoeilijkt door de zijdelingse helling van de rijbaan. De leerlingen tonen dan aan dat zij het spoor kunnen volgen zonder weg te glijden.

11) 3 seconden wachten aan een witte lijn, voeten op de trappers en daarna doorrijden.
Hier moet je 3 seconden op je fiets kunnen blijven zitten ZONDER dat je voeten de grond raken, eventueel mag je ook recht op de trappers staan !

12) Rijden van een vlotte 8 (OVSG)
De leerlingen moeten de 8 rijden tussen potjes die op 50cm van elkaar liggen. Zij moeten proberen geen enkel potje te raken tijdens de rit. Hierbij tonen de leerlingen aan dat zij tegen een aangepaste snelheid bochten kunnen nemen zonder daarbij het evenwicht te verliezen.

13) Een slalom met poorten van 3,5 tot 2,5 m. (OVSG)
Bij deze hindernis staan 7 palen opgesteld. De leerlingen moeten er tussen slalommen zonder dat de palen omver gereden worden. Hierbij leren de leerlingen vooruitziend te fietsen en hindernissen op hun weg ontwijken.

14) Omkijken over de linkerschouder en van rijstrook wisselen (ook je linker arm uitsteken). (OVSG)
In het verkeer is het vaak nodig om te kijken over de linkerschouder om vast te stellen of er achterliggers op komst zijn. Het is moeilijk om tijdens die hoofdbeweging rechtdoor te blijven fietsen.

15) Tramsporen dwarsen.
De leerling rijdt over tramsporen, vaak een moeilijk te nemen hindernis.

16) Stopproef (stok mag niet vallen) (OVSG)
De leerling komt aangefietst en mag pas beginnen remmen vanaf het moment dat hij/zij met het voorwiel de afgebakende zone binnenrijdt. De leerling moet voor de stok tot stilstand komen zonder de stok te stoten.

17) Afstappen. Einde Proef. (OVSG)
De leerling moet na het stoppen, aan de rechterkant afstappen.

|